Waakzame liefde

Gedachten voor pasen

Fragmenten uit deze brochure

’s Nachts waken is op zichzelf geen verdienste: nachtbrakers genoeg, zeker in een havenstad en al helemaal in Noord-Afrika. Het komt er op aan om het motief van het nachtleven te achterhalen. Augustinus helpt gelovigen graag daaraan herinneren.

1. Waken met het juiste doel

Wakker blijven is geen kunst! Bandieten blijven immers ook wakker, maar ze hebben er wel een andere bedoeling mee. Ze houden zich schuil tot de mannen slapen en willen dan bij de vrouwen komen onder de duistere medeplichtigheid van de nacht. Ook de beoefenaars van zwarte kunst blijven wakker, maar dan wel om demonen te dienen en met hun hulp schandelijke daden te verrichten. Het voert te ver en het is ook niet nodig te vermelden waarom al dat tuig wakker blijft.
Toch zijn er ook voorbeelden te noemen van mensen die met eerlijke bedoelingen wakker blijven: ambachtslieden, boeren, schippers, vissers, reizigers, handelaars, allerlei leidinggevenden, rechters, advocaten, in- en verkopers van boeken, bazen en ondergeschikten, en met welke tak van techniek, wetenschap of nijverheid een mens zijn leven ook doorbrengt. Maar dat doet hij wel met de bedoeling dat de aarde gemakkelijker en menswaardiger bewoond kan worden door haar bewoners, die snel als een ademtocht weer verdwijnen. Kortom, allen die ‘s nachts waken, hebben een doel. Als het een ongeoorloofd doel is, worden zij veroordeeld tot de eeuwige dood; als het een geoorloofd doel is, wordt het teniet gedaan door de tijdelijke dood. Christus nu is het doel van de wet tot gerechtigheid voor ieder die gelooft (Rom 10,4). Wij waken door naar Christus te kijken. Hij is het doel van de volmaaktheid. Hij bevrijdt ons van een einde dat veroordeling of vernietiging inhoudt. De mensen die ik zojuist noemde, blijven wakker met een eerlijke of oneerlijke bedoeling: zij kijken en streven wel naar een doel, maar hún doel is vergankelijk, óns doel kent geen einde. Uiteindelijk waken zij zonder dat ze de volmaakte rust zullen vinden in waar ze naar uitzien. Wij waken en bidden dat we niet op de bekoring ingaan (Mt 26,41). Zo overwinnen wij immers de belager op onze levensreis. Zo bereiken wij de Heiland, bij wie we voor altijd de volmaakte rust zullen vinden.

(Sermo 223G,2)

In een korte paasnachtpreek wijst Augustinus op de betekenis van een paradox: de kerk waakt precies in de nacht dat de Heer is ingeslapen.

4. Waken tegen onverschilligheid

In deze nacht, zeer geliefde broeders en zusters, nu wij de rust van de Heer in het graf herdenken, vieren wij de wake. Wij blijven wakker gedurende de tijd waarin Hij heeft gerust. Lang tevoren immers kondigde Hij zijn lijden al aan bij monde van de profeet: ‘Ik ben ingeslapen en opgestaan omdat de Heer mij heeft opgenomen.’ (Ps 3,6) Hij noemde zijn Vader ‘Heer.’ In de nacht dus waarin Hij is ingeslapen, blijven wij wakker. Zo kunnen wij leven dankzij de dood die Hij heeft ondergaan. Gedurende de uren van zijn tijdelijke slaap houden wij een nachtwake. Zo zullen wij zonder vermoeidheid blijven wanneer wij verrezen zijn tot een eeuwige wake, onvermoeid omdat Hij dan voor ons de wachter is.\r\nMaar in deze nacht is Hij ook verrezen. En naar zijn verrijzenis zien wij wakend uit. Hij is overgeleverd om onze misslagen en Hij sliep in. Hij is opgewekt om onze rechtvaardiging (Rom 4,25). Daarom vieren wij juist in deze ene nacht, de nacht waarin Hij rustte, onze wake met velen, om – geborgen in de wake voor Hem – ooit vrij te zijn van slaap. Wij waken en zien uit naar het uur van zijn ontwaken. Zo wordt voorkomen dat we op het ogenblik van onze rechtvaardiging – daarom is Hij opgewekt – liggen te slapen, omdat onverschilligheid wist binnen te sluipen; ik bedoel niet slapen met het lichaam maar in het hart. Laten wij dus waken en bidden, mijn geliefden, dat wij niet op de bekoring ingaan (Mt 26,41 en Mc 14,38).

(Sermo 223B,2)

In de paasnacht klinkt na veertig dagen weer voor het eerst een plechtig halleluja, als uitdrukking van vreugde over eeuwig leven na de dood. Kunnen we ons daarbij iets voorstellen?

8. Gezondheid op aarde: beeld van eeuwige paasvreugde

Kijk dát is pas vreugde, mijn geliefde broeders en zusters, de vreugde in het samenzijn met elkaar, de vreugde in het zingen van psalmen en hymnen, de vreugde in het herdenken van het lijden en de verrijzenis van Christus, de vreugde in de hoop op het toekomstige leven. Als wat we hopen ons al zoveel vreugde schenkt, hoe zal het dan zijn als we het in handen hebben? Kijk, in deze dagen wanneer we het halleluja horen, verandert eigenlijk onze geest. Is het dan niet alsof we een voorproefje krijgen van de verheven stad Jeruzalem? Als deze dagen ons al zo’n grote vreugde schenken, hoe zal de dag dan wel zijn, waarop wordt gezegd: ‘Kom, gezegenden van mijn Vader, en ontvang het Rijk.’ (Mt 25,34) De dag waarop alle heiligen bijeen worden gebracht, waarop mensen die elkaar niet kenden, elkaar in die stad zien, en mensen die elkaar wel kenden, elkaar daar terugkennen. Daar zal men zo met elkaar omgaan, dat er nooit een vriend verloren gaat en er nooit angst hoeft te bestaan voor een vijand.
Luister maar, we zingen halleluja. Dat is fijn, dat is vrolijk, vol blijdschap, genoegen en zaligheid. Toch worden we het moe, als we altijd halleluja zouden zingen. Maar wanneer het telkens op een bepaalde tijd van het jaar er weer is, hoe fijn is het dan als het terugkeert, en wat een verlangen laat het in ons achter als het ophoudt! De blijdschap zal daar toch niet van dien aard zijn dat ze ons tegen gaat staan? Nee, natuurlijk niet. Mocht iemand vragen: ‘Maar hoe komt het dan, dat daar altijd blijdschap is en dat die nooit in weerzin omslaat?’ Als ik u in dít leven iets laat zien wat u onmogelijk kan tegenstaan, gelooft u vast wel dat het daar helemaal zo zal zijn. Men kan genoeg krijgen van eten, van drank, van theater, hier genoeg van krijgen, daar genoeg van krijgen, maar niemand heeft ooit een hekel gekregen aan zijn gezondheid. Zoals men hier dus, in dit sterfelijk bestaan van het lichaam, in deze broosheid, in deze afkeer van de last van het lichaam nooit weerzin kan krijgen tegen gezondheid, zo zal men daar nooit genoeg krijgen van genegenheid, onsterfelijkheid en eeuwigheid.

(Sermo 229B,2)