Reisgenoot en gids

Gedachten voor jongeren

Fragmenten uit deze brochure

3. NOG EVEN NIET

Augustinus wil zich bekeren tot het éne, de ene God. Maar hij wordt nog teveel getrokken door het vele, de vele aardse goden. Hij voelt dat hij het vele moet loslaten, om het ware leven te omhelzen. Maar hij vindt nog niet de kracht. Hij beschrijft deze toestand in zijn Belijdenissen aldus:
”Vroeger had ik gedacht een excuus te hebben in het feit dat ik meende de waarheid toch nooit te kunnen bereiken. Maar dat gold voor mij nu niet meer. Als ik nog aarzelde om in uw dienst te treden, dan kwam dat gewoon omdat ik nog gebonden was aan de aarde. En ik was bang om van al die banden bevrijd te worden, terwijl je juist bang moet zijn om erin terecht te komen. En zo liet ik me dus met welbehagen neerdrukken door deze aardse last, zoals je je ook met welbehagen kunt laten overvallen door de slaap. Als ik mijn gedachten op u probeerde te richten dan deed ik dat op de manier waarop mensen proberen wakker te worden en dan zich toch weer door de slaap te laten overheersen en er opnieuw in wegzinken. Niemand zou altijd willen slapen en het is veel beter om wakker te zijn. Maar de loomheid van je lichaam houdt je soms toch tegen om de slaap van je af te schudden. En terwijl je eigenlijk niet meer wilt slapen, geniet je er dan juist nog meer van omdat je eigenlijk zou moeten opstaan.
Zo was het met mij gesteld. Ik vond het beter om me over te geven aan uw liefde dan te blijven leven volgens mijn eigen begeerte. En toch: het eerste leek me beter en overwon mij, en het tweede leek me prettig en bond mij. Als u tegen mij zei: “Ontwaak, slaper, sta op uit de doden en Christus zal over u stralen” (Ef. 5,14), dan wist ik geen antwoord meer, want dát woord was waar. Maar mijn antwoord was traag en slaperig: “Zo meteen. Nog even, nog heel even!” Maar aan dat “even” kwam geen eind, het werd lang.”

(Belijdenissen 8,5)

Augustinus’ woorden klinken vandaag de dag nog steeds als liederen van verlangen, diep in ons. Neem bijvoorbeeld het lied van Robbie Williams:
Oh Lord, make me pure, but not yet!
Zou hij weten dat hij de woorden van Augustinus aanhaalt?
“Geef mij kuisheid en zelfbeheersing, maar niet meteen.”

(Belijdenissen 8,17)

Make me pure
Some will sing a song
To reel ‘em in
It’s a song I sung before
And a song I’m gonna sing again
I mean every word
I don’t mean a single one of them
Oh Lord, make me pure
– but not yet

Tell a joke
Tell it twice
If no one else is laughing then why am I
I split myself both times and laugh till I cry
Oh Lord, please make me pure
– but not yet

I don’t have to try
I just dial it in
I’ve never found a job that for me was worth bothering
I got a ton of selfish genes and lazy bones
Beneath this skin
Oh Lord, make me pure
– but not yet

Smoking kills
Sex sells
I’ve got one hand in my pocket
but the other one looks cool as hell
I know I’m gonna die so my revenge is living well
Oh Lord, make me pure
– but not yet

I stopped praying
So I hope this song will do
I wrote it all for you
I’m not perfect but you don’t mind that, do you?
I know you’re there to pull me through, aren’t you?

So I look for love
I like the search
And I’ll be standing for election all across the known universe
Let every president get the country she deserves
Oh Lord, make me pure
– but not yet

And I’ve been seeing
Somebody’s wife
She said she’d leave him for me and I said that wasn’t wise
You can’t lie to a liar because of all lies
Oh Lord, please make me pure
– not yet

Robbie Williams

6. WAT MOEILIJK?

Het verlangen lijkt bij velen soms uitgeblust, omdat we in een moeilijke tijd leven. Maar Augustinus zegt:
”Het zijn slechte tijden! Het zijn moeilijke tijden!
Dat zeggen de mensen tenminste.
Laten we liever goed leven, dan worden de tijden vanzelf goed.
Wij zijn de tijden.
Zoals wij zijn, zijn de tijden… .
Waarom teleurgesteld zijn, waarom mopperen op God?
De wereld is slecht, jazeker, slecht… .
Wat is er dan zo slecht aan de wereld?
Want de hemel, de aarde en het water zijn niet slecht,
en alles wat daarin is, vissen, vogels en bomen ook niet.
Al die dingen zijn goed.
Nee, het zijn de slechte mensen die de wereld slecht maken!”

(Preek 80,8)

 

8. EEN VRIEND(IN) DIE MEEREIST OP JE WEG

Een trouwe vriend laat voor Augustinus de liefde van God zien:
”Ik beken het: Gemakkelijk werp ik mij helemaal in de liefde van mijn meest vertrouwde vrienden, en zonder zorgen rust ik in hun liefde, vooral wanneer ik moe ben van de ergernis van deze wereld.
Want ik voel dat God daar is, en in Hem werp ik mij veilig en rust ik veilig.
In die zekerheid van de liefde vrees ik ook niet het onzekere van morgen, het onzekere van de menselijke broosheid, waarover ik vroeger veel geklaagd heb.
Wanneer ik ervaar dat iemand bezield is met een echt christelijke liefde, en daardoor voor mij een trouwe vriend geworden is, dan vertrouw ik mijn gevoelens en gedachten niet toe aan een mens, maar aan God.
Want zo’n mens verblijft in God en is trouw door God.
God is immers liefde, en wie in de liefde verblijft,
blijft in God, en God blijft in hem.”

(Brief 73,10)

Vrienden kunnen onderweg ook elkaars lasten dragen, net als herten die een rivier oversteken.
”Er is nog iets dat opvalt bij herten.
Mensen hebben dat waargenomen en als je het niet met eigen ogen gezien had, zou je zoiets ook niet kunnen opschrijven.
Van herten zegt men dat ze zowel bij het in colonne optrekken als bij het zwemmen naar een ander stuk land hun kop met het zware gewei op elkaars rug leggen.
Een gaat er dus voorop en achter hem komen dan de herten die, de een na de ander, hun kop op het hert vóór hen leggen.
En dat doen ook weer die daarop volgen en dan weer andere die volgen, tot aan het eind van de colonne.
Als het hert dat voorop loopt en het gewicht van zijn eigen kop moet dragen dan moe wordt, sluit het achteraan en lost een ander het af en neemt zijn last over.
Dan kan dit hert, net als de andere, zijn kop neerleggen en bijkomen van zijn vermoeidheid.
Zo nemen ze dus afwisselend de zware last op zich en gaan ze hun weg tot aan het eind en ze laten elkaar niet in de steek.
Er is geen beter bewijs van vriendschap dan het feit dat men elkaars lasten draagt.”

(Preek over Psalm 41 (42),4)