Op zoek naar genezing

Gedachten over gezondheid

Fragmenten uit deze brochure

Uit een preek die Augustinus hield rond het jaar 410. Daarin gaat hij in op Matteüs 17,14-21: Jezus geneest daarin een jongeman die zijn leerlingen niet konden helpen.

2. Alles over voor een paar dagen gezondheid

Eigenlijk moeten mensen vooral bidden om hun eigen hebzucht uit te drijven, hun eigen drankzucht, hun eigen genotzucht en hun eigen onreinheid! Hoeveel zit er niet in ons, dat ons de toegang tot het rijk der hemelen verspert, als het maar blijft voortwoekeren? Kijk maar eens, broeders en zusters, hoe mensen hun dokter smeken om gezondheid, ook al is die maar tijdelijk! Hoe ze, als ze ziek zijn en wanhopig, zonder de minste schroom of weerzin voor een mens op de knieën vallen, hoe ze de voeten van een uiterst bekwame chef-arts met hun tranen wassen. En wat gebeurt er als de dokter tegen zo iemand zegt: “Je kunt alleen maar beter worden als ik je vastbind, en dan je wond uitbrand of opereer”?
Dan antwoordt de patiënt: “Doe wat u wilt, als u me maar beter maakt.” Hij verlangt zo vurig naar een paar dagen gezondheid — en iedereen weet hoe vluchtig ons bestaan is — dat hij daarvoor zelfs vastgebonden, geopereerd en uitgebrand wil worden. Sterker nog, hij kan het hebben dat men hem in de gaten houdt, zodat hij niet zomaar eet waar hij zin in heeft, en niet zomaar drinkt waar hij zin in heeft en wanneer hij er zin in heeft! Dat moet hij allemaal verduren om wat later te sterven. Maar een beetje pijn lijden om nooit te hoeven sterven wil hij niet. Als God, de hemelse Dokter die over ons waakt, u vraagt of u beter wilt worden, zou u dan iets anders willen antwoorden dan: “Ja natuurlijk!”? Maar ja, misschien zegt u dat ook wel níét omdat u in de waan leeft dat u kerngezond bent. Dan bent u er eigenlijk nog erger aan toe.

(uit: Sermo 80,3)

Onderstaand fragment is afkomstig uit een preek die Augustinus in Hippo Regius hield tijdens de paasnacht.

7. Goede gezondheid: beeld van eeuwig leven

Als wat we hopen ons al zoveel vreugde schenkt, hoe zal het dan zijn als we het in handen hebben? Kijk, in deze dagen wanneer we het halleluja horen, verandert eigenlijk onze geest. Is het dan niet alsof we een voorproefje krijgen van de verheven stad Jeruzalem? Als deze dagen ons al zo’n grote vreugde schenken, hoe zal de dag dan wel zijn, waarop wordt gezegd: “Kom, gezegenden van mijn Vader, en ontvang het Rijk.” (Mt 25,34) De dag waar op alle heiligen bijeen worden gebracht, waarop mensen die elkaar niet kenden, elkaar in die stad zien, en mensen die elkaar wel kenden, elkaar daar terugkennen. Daar zal men zo met elkaar omgaan, dat er nooit een vriend verloren gaat en er nooit angst hoeft te bestaan voor een vijand.
Luister maar, we zingen halleluja. Dat is fijn, dat is vrolijk, vol blijdschap, genoegen en zaligheid. Toch worden we het moe, als we altijd halleluja zouden zingen. Maar wanneer het telkens op een bepaalde tijd van het jaar er weer is, hoe fijn is het dan als het terugkeert, en wat een verlangen laat het in ons achter als het ophoudt! De blijdschap zal daar toch niet van dien aard zijn dat ze ons tegen gaat staan? Nee, natuurlijk niet. Mocht iemand vragen: “Maar hoe komt het dan, dat daar altijd blijdschap is en dat die nooit in weerzin omslaat?” Als ik u in dít leven iets laat zien wat u onmogelijk kan tegenstaan, gelooft u vast wel dat het daar helemaal zo zal zijn. Men kan genoeg krijgen van eten, van drank, van theater, hier genoeg van krijgen, daar genoeg van krijgen, maar niemand heeft ooit een hekel gekregen aan zijn gezondheid. Zoals men hier dus, in dit sterfelijk bestaan van het lichaam, in deze broosheid, in deze afkeer van de last van het lichaam nooit weerzin kan krijgen tegen gezondheid, zo zal men daar nooit genoeg krijgen van genegenheid, onsterfelijkheid en eeuwigheid.

(uit: Sermo 229B,2)

Uit een preek, gehouden in Hippo Regius op donderdag in de eerste week van de Paastijd, in of na het jaar 412. In de preek staat Augsutinus stil bij Johannes 20,1-18 over de verrezen Heer en Maria Magdalena.

8. Het verheerlijkte lichaam is als mooie muziek

De Heer Jezus confronteerde de menselijke zintuigen met het uiterlijk van zijn lichaam om de verrijzenis van het vlees te bevestigen. Door zich na zijn verrijzenis als levende te vertonen in zijn lichaam, heeft Hij ons niets anders willen leren dan dat wij moeten geloven in de verrijzenis van de doden. Omdat alle ledematen volledig moeten worden hernieuwd, komt doorgaans de moeilijke kwestie over het gebruik ervan aan de orde, op verzoek van mensen die daar meer van willen weten. Ook mensen die erover willen redetwisten, leggen me deze kwestie steeds weer voor. Zij beweren dat ons lichaam alle organen en ledematen bezit die het nodig heeft, en dat duidelijk is welke lichaamsdelen voor welke functies nodig zijn. Wie zou immers niet weten, wie niet zien, dat wij ogen hebben om te kijken, oren om te horen, een tong om te spreken, een neus om te ruiken, tanden om te bijten, handen om te werken en voeten om te lopen? Ja, dat wij zelfs lichaamsdelen hebben die men schaamdelen noemt, om ons voort te planten? Verder wilde God ook, dat onze ingewanden bedekt bleven, opdat het zien ervan de mensen niet zou doen huiveren. Waartoe het binnenste dient en ook de zogenaamde ingewanden, daar zijn veel mensen goed van op de hoogte, dokters nog beter. Men komt aandragen met de volgende argumenten: “Als wij al oren moeten hebben om te horen, ogen om te zien en een tong om te spreken, waarom moeten wij dan eigenlijk tanden hebben, als wij toch niet eten? Een keel, longen, een maag, en ingewanden, waar het voedsel doorheen gaat en wordt verteerd, zodat wij in goede gezondheid kunnen leven?
“Waarom,” vragen ze tenslotte, “zullen we die schaamdelen daar nodig hebben? Daar is toch geen sprake van voortplanting of van spijsvertering?”
Wat moeten wij hen antwoorden? We zullen toch zeker niet zeggen, dat wij als standbeelden zonder ingewanden zullen verrijzen? Wat de tanden betreft, is het antwoord eenvoudig. Tanden zijn ons niet alleen van nut bij het bijten, maar ook bij het spreken. Zoals een plectrum de snaren tokkelt, zo tokkelen de tanden onze tong om klanken te vormen. Maar onze overige lichaamsdelen zullen er voor het oog zijn, niet voor werkelijk gebruik. Om de aantrekkelijkheid en schoonheid, zeker niet uit noodzakelijke behoefte. Ze zijn toch niet lelijk omdat ze geen functie meer hebben? Maar omdat wij er nu geen verstand van hebben en de oorzaken ervan niet doorgronden, bezorgt ons binnenste ons — als het te zien is — eerder huivering dan waardering.
Wie weet precies hoe zijn lichaamsdelen onderling samenhangen en in welke verhouding deze samenhang vorm krijgt? In dit verband spreekt men ook wel van harmonie, een term uit de muziek. Daar zien wij op de citer inderdaad snaren die gespannen zijn. Als alle snaren een gelijke toon voortbrengen, zou er geen melodie zijn. Het verschil in snaarlengte en spanning zorgt voor ver schillende klanken en die verschillende klanken doen — mits harmonisch gecomponeerd — bij de toeschouwer geen schoonheidservaring ontstaan, maar bij de toe hoorder wel een streling van het oor. Wie de ordening in de menselijke lichaamsdelen hebben doorgrond, zijn zo verwonderd en zo opgetogen, dat zij die ordening verkiezen boven elke zichtbare schoonheid, als ze haar tenminste echt begrijpen. Op dit moment kennen we haar niet, maar dan wel. Niet omdat de lichaamsdelen zullen worden blootgelegd, maar omdat ze zelfs als ze bedekt zijn, niet verborgen kunnen blijven.

(uit: Sermo 243,3-4)