Mooie wereld

Gedachten over wonderen

Fragmenten uit deze brochure

Onderstaand fragment is afkomstig uit een preek die Augustinus waarschijnlijk hield in de eigen gemeenschap van Hippo Regius. De preek moet gehouden zijn vóór het jaar 411, ergens in de veertigdagentijd en vermoedelijk op een doordeweekse dag . De toespraak maakt deel uit van een reeks waarmee Augustinus beoogt het Johannesevangelie vers voor vers toe te lichten. Augustinus hield zulke verhandelingen voor een gemotiveerde groep belangstellenden. In deze verhandeling gaat hij in op Jezus’ bezoek aan de bruiloft in Kana (Joh 2,1-11).

1. Wijn uit water

Het wonder van onze Heer Jezus Christus waarbij Hij wijn uit water maakte, hoeft geen verwondering te wekken bij degene die weet dat God dit heeft verricht. Hij die op die bruiloftsdag wijn maakte in de zes vaten die hij met water liet vullen (Joh 2,6-11), is immers dezelfde die dat ieder jaar in de wijnstokken bewerkt: wat de dienaars in de vaten goten, veranderde door toedoen van de Heer in wijn en precies zo verandert wat de wolken uitgieten door toedoen van dezelfde Heer in wijn. Maar over dit laatste verwonderen wij ons niet omdat het ieder jaar gebeurt. Door de voortdurende herhaling is onze bewondering ervoor verdwenen. Maar eigenlijk verdient het een grotere waardering dan wat er met de watervaten is gebeurd.
Wie kan immers de werken van God aanschouwen waardoor heel onze wereld wordt geleid en bestuurd, zonder versteld te staan en overweldigd te worden door de wonderen? Als je op je laat inwerken welke kracht één enkele korrel van welk gewas dan ook heeft, dan is dat iets geweldigs! Het vervult je met huiver bij het aanschouwen ervan. Maar de mensen hebben zich op andere dingen gericht en zijn hun aandacht voor Gods werken verloren, terwijl ze juist daardoor iedere dag weer de Schepper zouden moeten prijzen. Daarom heeft God zich als het ware het recht voorbehouden een aantal ongebruikelijke dingen te doen om zo de mensen die als het ware in slaap gesukkeld waren, door bijzondere dingen wakker te schudden en ertoe aan te zetten Hem te eren.
Als een dode is opgestaan, staan de mensen versteld. Maar iedere dag worden er zoveel kinderen geboren en dat vindt niemand bijzonder. Zouden wij de zaken met meer verstand bezien, dan blijkt het een groter wonder dat wie niet bestond een bestaan krijgt, dan dat wie al bestond opnieuw tot leven komt. Toch is het dezelfde Vader van onze Heer Jezus Christus die door zijn Woord dit alles tot stand brengt en het bestuurt na het te hebben geschapen.\r\n

(uit: In Iohannis euangelium tractatus 8,1)

Uit een preek rond het jaar 418 over Jezus’ opwekking van een weduwezoon

3. Opstaan uit het graf is gemakkelijker dan opstaan uit bed!

De wonderen van onze Heer en Redder Jezus Christus maken indruk op allen die ze horen en geloven, maar op de een meer dan op de ander. Sommige mensen staan versteld van de wonderen die Hij voor het lichaam deed, maar zijn niet in staat de nog grotere wonderen te zien. Anderen horen wel wat er is gebeurd met die lichamen, maar hebben meer bewondering voor wat er met de zielen gebeurd is. De Heer zegt zelf: “Zoals de Vader de doden opwekt en tot leven brengt, zo brengt ook de Zoon tot leven wie Hij wil.” (Joh 5,21) Dat betekent uiteraard niet dat de Zoon de één tot leven brengt en de Vader de ander. Nee, de Vader en de Zoon brengen dezelfde mensen tot leven, want de Vader doet alles door de Zoon.
Geen enkele christen mag er daarom aan twijfelen dat er nog altijd doden worden opgewekt. Iedereen heeft ogen waarmee hij mensen kan zien opstaan die gestorven zijn, zoals bijvoorbeeld de zoon van die weduwe over wie zojuist is voorgelezen uit het evangelie (Lc 7,12-17). Maar niet iedereen heeft ogen waarmee hij mensen kan zien opstaan die geestelijk dood zijn. Dat zien alleen mensen die zelf al geestelijk zijn opgestaan. Het is een groter wonder iemand weer op te wekken voor het eeuwig leven dan voor een tweede dood.
Die moeder, een weduwe, was verheugd over de opwekking van haar zoon. Zo verheugt de moederkerk zich over de mensen die dagelijks geestelijk worden opgewekt. Die jongen was lichamelijk dood, die mensen geestelijk. De zichtbare dood van de jongen werd zichtbaar beklaagd, maar aan de onzichtbare dood van die mensen werd geen aandacht geschonken, ja, die werd zelfs niet opgemerkt. Maar Hij die de doden kende schonk er wel aandacht aan. En de enige die de doden kende was Hij die ze weer levend kon maken.
Als de Heer niet was gekomen om de doden op te wekken had de apostel Paulus niet kunnen zeggen: “Ontwaak, slaper, sta op uit de doden, en Christus zal over u stralen.” (Ef 5,14) Zodra je hoort: “Ontwaak, slaper,” denk je dat het gaat om iemand die ligt te slapen. Maar zodra je hoort: “Sta op uit de doden,” begrijp je dat het gaat om iemand die dood is. Mensen die lichamelijk dood zijn worden ook vaak “ontslapenen” genoemd.
En inderdaad, voor Hem die kan opwekken slapen alle mensen. Een dode is voor ons dood als hij niet wakker wordt, hoe je hem ook slaat, beetpakt of door elkaar schudt. Maar voor Christus sliep de jongeman tot wie gezegd werd: “Ontwaak,” en direct stond hij op. Geen mens roept iemand zo makkelijk uit zijn bed als Christus iemand uit het graf.

(uit: Sermo 98,1-2)

Uit een preek rond 400 rond Jezus’ gelijkenis over de barmhartige vader en zijn twee zonen

5. Een last die verlicht

De Heer zegt: “Mijn juk is licht en mijn last is licht.” (Mt 11,30) … De last van Christus is zo licht dat die je niet neerdrukt maar zelfs ondersteunt. Niet zoals andere lasten, die licht worden genoemd als ze niet erg zwaar zijn maar wel wat wegen. Het maakt verschil of je een zware last draagt, een lichte of helemaal geen last. Wie een zware last draagt gaat daar zichtbaar onder gebukt. Wie een lichte last draagt gaat daar ook onder gebukt, zij het minder. Wie helemaal geen last draagt loopt duidelijk met een rechte rug.
Zo zit het niet met de last van Christus. Het is juist goed die te dragen, want die ondersteunt je. Als je hem aflegt heb je het juist zwaarder. Ja, broeders en zusters, dat lijkt u onmogelijk, maar dat is het niet! Misschien kan ik een concreet voorbeeld vinden waardoor u ziet wat ik bedoel. Ook dat voorbeeld is wonderlijk, ja eigenlijk ongelooflijk. Kijk eens naar de vogels. Elke vogel heeft vleugels. Let eens op hoe zij hun vleugels ineenvouwen als ze landen om te rusten. Ze leggen ze dan zogezegd langszij. Denkt u dat ze door die vleugels zwaarder worden? Als je dat gewicht eraf haalt storten ze neer! Hoe lichter hun last, hoe minder ze kunnen vliegen. Goed, je ontneemt hun de last, zogenaamd uit medelijden. Maar als je echt medelijden hebt laat je die vleugels zitten. En als de vleugels al gekortwiekt zijn, moet je ze weer laten groeien. Dan neemt hun gewicht toe en kunnen ze weer wegvliegen.

(uit: Sermo 112A,6)