Leer ons bidden

Gedachten over het onzevader.

Fragmenten uit deze brochure:

In het onderstaande fragment enkele verrassende overwegingen bij het vaderschap van God. Augustinus’ ideeën daarover liggen ingebed in het bijbels gedachtegoed. Wie bidt, wordt een bijzondere erfgenaam van God.

2. Onze Vader

Bij ieder verzoek moeten we de welwillendheid zien te winnen van degene aan wie wij een verzoek doen. Pas daarna behoren we te zeggen wat ons verzoek is. In de regel wint men de welwillendheid van degene tot wie het verzoek wordt gericht door hem te prijzen en dat doet men gewoonlijk aan het begin van het verzoek.
Onze Heer droeg ons op aan het begin alleen maar te zeggen: ‘Onze Vader die in de hemelen zijt.’ (Mt 6,9) Op verschillende manieren is er veel gezegd tot lof van God, verspreid over de hele Heilige Schrift. Dat zal iedereen bij het lezen van de Schrift kunnen zien. Toch vindt men nergens een gebod voor het volk van Israël om te zeggen: ‘Onze Vader,’ of om bij het gebed God ‘Vader’ te noemen. …
Onze roeping tot de eeuwige erfenis (Heb 9,15) om samen met Christus erfgenamen te zijn (Rom 8,17) en als kinderen te worden aangenomen (Rom 8,23), is niet te danken aan onze verdiensten maar aan de genade van God (Ef 2,8-9). Daarom geven wij die genade een plaats in het begin van ons gebed wanneer wij zeggen: ‘Onze Vader.’ Door die aanspreking wordt ook de liefde opgewekt. Wat behoort immers aan kinderen dierbaarder te zijn dan hun vader? Eveneens wordt een nederige houding opgewekt wanneer mensen ‘onze Vader’ tot God zeggen. Bovendien wordt er min of meer de verwachting gewekt dat we zullen krijgen wat we gaan vragen. Nog voordat we iets hebben gevraagd, hebben we immers al een grote gave ontvangen: we mogen ‘onze Vader’ zeggen tegen God. En wat zal Hij nog weigeren aan wie reeds zijn kinderen zijn als zij iets vragen? Hij heeft hun toch al eerder de gunst geschonken om zijn kinderen te zijn?

(De sermone Domini in monte 2,15-16)

In het volgende fragment vervolgt Augustinus zijn toelichting op Gods vaderschap, maar dan gezien vanuit de bidder als kind van God.

3. Verantwoordelijke kinderen

Hoe groot is de verantwoordelijkheid van iemand die ‘onze Vader’ zegt tegen God! Hij moet ervoor zorgen zo’n voortreffelijke Vader waard te zijn! Iemand uit het gewone volk die van een senator op jaren persoonlijk toestemming krijgt hem vader te noemen, zal ongetwijfeld schrikken en het amper aandurven, omdat hij aan zijn lage afkomst denkt, aan zijn schamele omstandigheden en aan zijn positie van eenvoudig mens. Hoeveel meer moet men er dus voor terugschrikken God Vader te noemen, als ons gedrag zo bezoedeld en zo verachtelijk is dat God met veel meer reden dat vuil uit zijn nabijheid verwijdert dan de senator de armoede van de eerste de beste bedelaar. De senator veracht immers in de bedelaar de toestand waarin hij ook zelf terecht kan komen wegens de broosheid van het menselijk bestaan. God vervalt echter nooit tot slecht gedrag. En betuig dank voor de barmhartigheid van Hem die er bij ons op aandringt dat Hij onze Vader mag zijn! Dat is voor geen prijs te verkrijgen, maar alleen door goede wil.
Ook de rijken en zij die van hoge geboorte zijn volgens de maatstaven van de wereld, krijgen hier een vermaning: wanneer zij christen worden, past hun geen hoogmoedig gedrag tegenover de armen en hen die van lage afkomst zijn. Samen zeggen zij tot God: ‘Onze Vader.’ Dat kunnen zij alleen met oprechtheid en eerbied zeggen, als zij elkaar als broeders en zusters erkennen.

(De sermone Domini in monte 2,16)

Wat is eigenlijk de betekenis van de hemel als woonplaats van God? Het innerlijk van een rechtvaardig mens is misschien niet hoger maar wel verhevener dan de hoogste ster aan de hemel. God de Vader is ons zo verrassend nabij. Zelfs als we ons tijdens het gebed naar een bepaalde richting keren, wordt daarmee niet uitgedrukt dat God op één plek aanwezig is en op een andere niet, maar sporen we ons innerlijk en onze zintuigen aan dat ze zich voor God openstellen.

4. In de hemelen

Zoals de zondaar ‘aarde’ is genoemd toen tot hem is gezegd: ‘Aarde bent u en tot aarde keert u terug,’ (Gn 3,19) zo kan daarentegen de rechtvaardige ‘hemel’ worden genoemd. Tot de rechtvaardigen wordt immers gezegd: ‘Want de tempel van God is heilig, en die tempel bent u.’ (1 Kor 3,17) Als God dus in zijn tempel woont en de heiligen zijn tempel zijn, dan is het juist te zeggen dat ‘die in de hemelen zijt’ betekent: ‘die in de heiligen zijt.’ En die overeenkomst is bijzonder treffend: er lijkt op geestelijk gebied een even groot verschil te bestaan tussen rechtvaardigen en zondaars als op stoffelijk gebied tussen hemel en aarde.
Om dat aanschouwelijk te maken keren wij ons wanneer we gaan staan om te bidden, naar het oosten: daar rijst de hemelse dageraad. Dat doen we niet alsof God daar zou wonen en bij wijze van spreken de overige delen van het heelal zou hebben verlaten. Hij is overal aanwezig, niet ruimtelijk gezien maar door de macht van zijn majesteit. Het doel van die houding is de ziel aan te sporen zich tot het hoogste wezen, tot God, te richten. Het aardse lichaam van de ziel wendt zich tot een hoger, hemels lichaam.

(De sermone Domini in monte 2,17-18)