Het hoofd in de wolken, de voeten op de grond

Gedachten over hemelvaartsdag

Fragmenten uit deze brochure

Onderstaand fragment is uit een preek, gehouden op hemelvaartsdag in 396 of 397. Pasen en hemelvaart hebben met elkaar te maken, maar verschillen ook van elkaar: Pasen vormt de afsluiting van Jezus’ veroordeling in Jeruzalem, hemelvaart is de voorbereiding op zijn oordeel over alle mensen.

1. Hemelvaart: voltooide verrijzenis

De verheerlijking van onze Heer Jezus Christus is voltooid door zijn verrijzenis en zijn hemelvaart. Zijn verrijzenis hebben wij op paaszondag gevierd, zijn hemelvaart vieren wij vandaag. Het zijn allebei feestdagen voor ons. Christus is immers verrezen om ons te laten zien wat verrijzen is. En Hij is ten hemel gevaren om ons vanuit de hemel te beschermen. Hadden wij onze Heer en Heiland Jezus Christus dus eerst als degene die aan het kruis hing, nú hebben we Hem als degene die in de hemel zetelt. Hij heeft voor ons de losprijs betaald door aan het kruishout te hangen. Nu Hij in de hemel zetelt, brengt Hij degenen die Hij kocht, bijeen. En wanneer Hij iedereen bij elkaar heeft – althans degenen die Hij in de loop van de tijd verzameld heeft – dan zal Hij komen aan het einde van de tijd, en dan zal Hij, zoals geschreven staat, als de duidelijk zichtbare God in heerlijkheid komen (Ps 50,3).
Niet zoals Hij eerst kwam, als de verborgen God, maar zoals geschreven staat: duidelijk zichtbaar in heerlijkheid. Vóór zijn verrijzenis moest Hij namelijk als de verborgen God komen om veroordeeld te worden, na zijn verrijzenis zal Hij duidelijk zichtbaar in heerlijkheid komen om te oordelen. Als Hij immers ervóór duidelijk zicht baar in heerlijkheid kwam, wie zou Hem dan in die staat durven veroordelen? Daarom zegt de apostel Paulus: “Als zij het geweten hadden, zouden zij de Heer der heerlijkheid nooit gekruisigd heb ben.” (1 Kor 2,8)

(uit: Sermo 263,1)

Onderstaand fragment is gehouden op hemelvaartsdag 405. Daarin wordt uitgelegd hoe Christus ook in de hemel bij ons blijft en toch ooit zal terugkeren.

9. Opgeheven, niet verhuisd

Christus wilde onze broeder zijn. Daarover heeft de apostel Paulus het, als hij zegt: “Wij zijn erfgenamen van God, tezamen met Christus.” (Rom 8,1) Wij vinden onze Vader in de hemel. Wij behoren tot een grote familie. De Zoon is voor ons uit de hemel gekomen om onze broeder te worden. Hij verliet de Vader niet, toen Hij naar ons toe kwam. En Hij verliet ons evenmin, toen Hij naar de Vader terug keerde. Laten wij geloven dat Christus in de hemel is, laten wij geloven dat Hij met ons is.
Hoe kan Hij dan in de hemel zijn, als Hij met ons is? Als God kan Hij dat. Mijn woord, dat is zowel met mij als met u. Mijn woord is met mij in mijn hart en met u in uw oren. Als mijn woord dat al kan, zou het Woord van God dat dan niet kunnen? Hij is echt neergedaald, toen Hij hier op aarde was. Wat betekent neer dalen dan? Dat Christus Jezus verschijnt. En hoe is Jezus verschenen? Doordat Hij mens is geworden. Wat betekent opstijgen dan? Dat het lichaam van Christus naar de hemel omhoog wordt geheven, en niet dat zijn verhevenheid verhuist. Waarheen Hij opstijgt, daarvandaan zal Hij neerdalen. En zoals Hij opstijgt, zo zal Hij neerdalen. Dat zijn de woorden van de engelen, niet de onze. Want de leerlingen stonden daar en staarden Hem na toen Hij naar de hemel opsteeg, en de engelen zeiden tegen hen: “Mannen van Galilea, wat staat u daar? Deze Jezus zal op dezelfde wijze weder keren als u Hem naar de hemel hebt zien gaan.” (Hnd 1,11) Wat betekent nu: “Hij zal op de zelfde wijze weder keren?” Hij zal in dezelfde gestalte oordelen als waarin Hij geoordeeld is. Niet alleen zichtbaar voor rechtvaardigen maar ook zichtbaar voor onrechtvaardigen zal Hij komen, om te worden gezien door rechtvaardigen en onrechtvaardigen. De on rechtvaardigen zullen Hem wel zien, maar met Hem heersen zullen ze niet.

(uit: Sermo 265F,3)

Het volgende fragment is uit een preek, gehouden op een ongedateerde hemelvaartsdag. Augustinus benadrukt de verbondenheid tussen Jezus in de hemel en de geloofsgemeenschap op aarde. Jezus’ hemelvaart wijst vooruit naar de onze.

11. Ver van afstand, dichtbij in liefde

De ledematen zullen het Hoofd immers volgen, waarheen het ook voorgaat. Christus is het Hoofd, wij zijn de ledematen. Christus is in de hemel, wij zijn op aarde.
Is Hij dan heel ver van ons? Natuur lijk niet. Als u aan een afstand denkt, is Hij ver van ons. Denkt u aan de liefde, dan is Hij met ons. Want als Hij niet met ons was, zou Hij niet in het evangelie zeggen: “Zie, Ik ben met u tot de voleinding der wereld.” (Mt 28,20) Als Hij niet met ons is, verkopen wij leugens als wij zeggen: “De Heer zij met u.” En dan zou Hij niet vanuit de hemel roepen, toen Saul Hem vervolgde – Saul vervolgde niet de Heer zelf, maar zijn heiligen, zijn dienaren; of vertrouwder nog: zijn ledematen – “Saul, Saul, waarom vervolgt u Mij? (Hnd 9,4; 22,7; 26,14) Ziet u, Ik ben hier in de hemel, u bent op aarde en u vervolgt Mij. Hoe kunt u Mìj nu vervolgen? Door mijn ledematen te vervolgen. Door mijn ledematen ben Ik op aarde. Want Ik schreeuw natuurlijk met mijn mond, als iemand op mijn tenen trapt.”
Hij, door wie hemel en aarde zijn gemaakt, is dus voor de mens die Hij uit aarde heeft ge maakt (Gn 2,7), naar de aarde afgedaald. Van hier heeft Hij de aarde naar de hemel opgeheven. Laten wij nu hopen op wat ons in Hem is voorafgegaan. Hij zal ons geven wat Hij heeft beloofd. Wij kunnen er zeker van zijn, Hij heeft het ons gegarandeerd: het evangelie beschrijft het. Hij zal het ons geven. Er is nog meer dat Hij aan ons heeft besteed. Wij denken toch niet dat Hij zijn leven niet zal geven, nu Hij zelfs zijn dood al voor ons heeft gegeven? De vernedering van het lijden, het onrecht, de beschimpingen, alle soorten smaad op aarde heeft Hij op zich genomen voor ons. Zou Hij ons dan het rijk, het geluk, de onsterfelijkheid en de eeuwigheid niet geven? Hij heeft ons kwaad verdragen, zou Hij ons zijn goed dan niet geven? Laten wij gerust op deze hoop afgaan. Zijn belofte is immers betrouwbaar! Maar laten wij wel zo leven, dat wij oprecht tegen Hem kunnen zeggen: “Wij hebben gedaan wat u vroeg, geef ons nu wat u heeft beloofd.”

(uit: Sermo 395,2)