Gast in huis, God in huis

Gedachten over gastvrijheid

Fragmenten uit deze brochure

Uit een preek over Jezus’ bezoek aan Marta en Maria (Lc 10,38-42). Het is onbekend wanneer en waar Augustinus deze preek gehouden heeft. Marta en Maria zijn twee verschillende soorten gastvrouw. Augustinus belicht van beiden positieve kanten.

3. Een gast als rechter

Bij het voorlezen van het heilig evangelie hoorden we dat de Heer gastvrij werd onthaald door een godvruchtige vrouw, die Marta heette. Terwijl zij druk in de weer was met bedienen, zat haar zus ter Maria aan de voeten van de Heer en luister de naar zijn woorden. De een was druk bezig, de ander deed niets; de een gaf, de ander kreeg. Marta, die het vuur uit haar sloffen liep, deed een beroep op de Heer en klaagde dat haar zuster haar niet de helpende hand bood. Maar bij zijn antwoord aan Marta nam de Heer het op voor Maria. Hij was er als rechter bij geroepen maar werd haar verdediger. Hij zei: “Marta, je maakt je druk over van alles, maar slechts één ding is nodig. Maria heeft het beste deel ge kozen en dat zal haar niet worden ontnomen.” (Lc 10,41-42)
Wij hebben het beroep op de Heer gehoord en het vonnis van de rechter. Dit vonnis was zijn reactie op de aanklacht van de een: zo koos hij partij voor de ander. Want Maria was helemaal gericht op de heerlijke woorden van de Heer. Marta richtte zich helemaal op de vraag wat zij de Heer zou voorzet ten, Maria op de vraag wat de Heer háár zou voor zetten. Marta bereidde een maaltijd voor de Heer, Maria genoot van zijn maal. Maria laafde zich dus aan zijn overheerlijke woorden en deed zich volop te goed. Maar haar zuster beklaagde zich bij de Heer. (…)
Wat is er aan de hand? Denkt u misschien dat Marta terechtgewezen werd vanwege haar dienstbaarheid? Om dat ze helemaal opging in de gastvrijheid en de Heer met open armen had ontvangen? Hoe kan het dat een vrouw, die blij was met zo’n hoge gast, terechtgewezen werd? Als dat terecht is moeten alle mensen die zich inzetten voor de armen daar nu maar mee ophouden. Zij moeten voor zichzelf maar het beste deel kiezen, dat hun niet zal worden ontnomen. Zij moeten zich vrij maken voor het woord en gretig het heerlijk onderricht opnemen. Zij moeten zich bezig houden met de kennis van het heil. Dan kan het hun niets schelen dat er een vreemdeling in hun buurt is, dat iemand brood of kleding nodig heeft, dat iemand bezocht of vrijgekocht of begraven moet worden (vgl. Mt 25,31-46). Laat de werken van barmhartigheid maar liggen, laat alleen de kennis tellen. Als dat het beste deel is, waarom pakken we dat dan niet alle maal, nu we in deze kwestie de Heer zelf aan onze kant hebben? We hoeven niet bang te zijn hiermee afbreuk te doen aan zijn rechtvaardigheid: we hebben toch zijn vonnis mee? Maar nee, zo is het niet. Zoals de Heer het zegt, zo is het.

(uit: Sermo 104,1-3)

Uit dezelfde preek. De beide zussen, Marta en Maria worden niet tegen elkaar uitgespeeld. Hun beide vormen van gastvrijheid worden op waarde geschat. Maar Augustinus tekent er wel bij aan: alles op zijn tijd.

4. Aandachtige gastvrijheid

Laten we nu eens kijken naar onze zorgen om van alles. Dienstbaarheid is nodig om mensen te verzorgen. En waarom? Omdat er nu eenmaal honger bestaat, en dorst. Lijden roept om medelijden. U deelt uw brood met hongerigen (Js 58,7), omdat u hongerigen op uw weg aantreft. Schaf de honger eens af, als u kunt: met wie deelt u dan nog uw brood? Schaf het reizen af: aan wie verleent u dan gastvrijheid? Schaf de naaktheid af: wie kunt u dan nog kleden? Weg met de ziektes: wie kunt u dan nog bezoeken? Weg met de gevangenschap: wie kunt u dan nog vrij kopen? Weg met de ruzies: wie kunt u dan nog met elkaar verzoenen? Weg met de dood: wie kunt u dan nog begraven? In de tijd die komen gaat zal al die ellende er niet meer zijn. Dan zijn al die goede zorgen dus ook niet meer nodig!
Daarom deed Marta er goed aan zich te bekommeren om de lichamelijke noden van de Heer – hoe moet ik het noemen: noden, wensen, gewenste noden? – en te zorgen voor zijn sterfelijk lichaam. Maar wie zat er in dat sterfelijk lichaam? “In het begin was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God.” (Joh 1,1) Kijk, hiernaar luisterde Maria. “Het Woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond.” (Joh 1,14) Kijk, daarvoor zorgde Mar ta. Maria heeft dus het beste deel gekozen en dat zal haar niet worden ontnomen (Lc 10,41-42). Zij koos voor wat blijvend is en dat zal haar dus niet worden ont no men. Zij wilde zich met slechts één ding bezighouden en dat had ze al: “Voor mij is het goed nabij God te zijn.” (Ps 73,28) Zij zat aan de voeten van ons Hoofd: hoe lager haar plaats, hoe meer zij ontving. Water stroomt naar het laagste punt van het dal; het komt van de heuveltoppen naar beneden.
De Heer veroordeelt werken op zich dus niet, maar Hij maakt onder scheid tussen de verschillende taken. Hij zegt: ”Je maakt je druk over van alles, maar slechts één ding is nodig.” Daar heeft Maria al voor gekozen: de veelheid van zorgen is van voorbijgaande aard, de eenheid van liefde blijft. Wat zij heeft ge kozen zal haar dus niet worden ontnomen. Maar wat jij, Marta, hebt gekozen – dat volgt hier natuurlijk uit, dat lezen we tussen de regels door – wat jij hebt gekozen zal je worden ontnomen. Maar het zal je worden ontnomen voor je eigen best wil, want je krijgt er iets beters voor terug: het zwoegen zal je worden ont nomen, je krijgt er rust voor terug. Jij bent nog op zee, zij is al in de haven.

(uit: Sermo 104,3)

Het volgende fragment is uit een preek, die Augustinus ’s winters hield in Hippo Regius tussen 410 en 412. Centrale evangelietekst is het verhaal over Zacheüs (Lc 19,1-10).

13. Denk aan Christus, wanneer Hij op straat ligt

Het is nu winter dankzij Gods goedheid. Denk aan de armen, vergeet niet dat Christus in zijn naaktheid moet worden gekleed (vgl. Mt 25,36). Hebben we, toen het evangelie werd voorgelezen, niet allen Zacheüs gelukkig geprezen, omdat hij in een boom was gaan zitten om Christus te kunnen zien voorbijgaan en deze naar boven keek? (Lc 19,10) Want hoe zou Zacheüs er ooit op kunnen hopen dat Christus in zijn huis zou wonen? En toen zei Christus tegen hem: “Kom eruit, Zacheüs. Vandaag moet Ik in jouw huis verblijven.” (Lc 19,5) Ik heb u horen zuchten van geluk. U bent allen even een Zacheüs geweest en u hebt allen Christus ontvangen. U hebt allen bij uzelf gezegd: “Wat een geluk heeft hij gehad, die Zacheüs! De Heer is zijn huis binnengegaan. Wat een geluksvogel! Zou ons dat ook kunnen overkomen?” Christus is nu in de hemel. Lees me het Nieuwe Testament voor, Christus. Maak ons gelukkig aan de hand van uw wet. Lees het voor. Zo weet u dat u niet wordt beroofd van Christus’ aanwezigheid. Luister naar Hem die het oordeel zal vellen: “Wanneer u iets voor één van de onaanzienlijksten van mijn mensen hebt gedaan, hebt u dat voor Mij gedaan.” (Mt 25,40) Ieder van u ziet ernaar uit om Christus, die zetelt in de hemel, in zijn huis te ontvangen. Denk aan Hem, wanneer Hij op straat ligt. Denk aan Hem wanneer Hij honger heeft (Mt 25,35.42). Denk aan Hem wanneer Hij kou lijdt (Mt 25,36.43). Denk aan Hem wanneer Hij behoeftig is. Denk aan Hem wanneer hij een vreemdeling is. Ga hiermee door als u het al deed. Begin ermee als u het nog niet deed. U weet steeds meer. Moge u steeds meer goede werken doen. U prijst de zaaier. Presenteer Hem dan ook de oogst.

(uit: Sermo 25,8)