Doden die leven

Gedachten over dood, verdriet en hoop op (eeuwig) leven

Fragmenten uit deze brochure

Onderstaand fragment is uit een preek over Psalm 48,14. De preek is gehouden in Hippo Regius tijdens de veertigdagentijd in 412. De dood is zoals de liefde: vroeg of laat ontkomt niemand er aan. Maar let ook op het verschil!

1. Liefde: sterk als de dood

Wat is de kracht in de stad van God? Wie de kracht van die stad wil begrijpen, moet de kracht van de liefde verstaan.
De liefde is immers een kracht die niemand kan weerstaan. Geen wereldstorm en geen stortvloed van beproevingen kunnen het vuur van de liefde doden. Want over haar staat geschreven: “Sterk als de dood is de liefde” (Hooglied 8,6).
De liefde lijkt namelijk op de dood. Wanneer de dood komt, kan niemand die weerstaan. Met hoeveel ingrepen of geneesmiddelen men de dood ook bestrijdt, aan het geweld van de dood kan een sterfelijke mens niet ontkomen. Zo kan de wereld ook niets ondernemen tegen de kracht van de liefde.
Maar de gelijkenis tussen de liefde en de dood bevat ook een tegenstelling. Want zoals de dood alle kracht bezit om ons uit het leven weg te rukken, zo bezit de liefde alle kracht om ons in leven te houden.

(uit: enarratio in Psalmum 47,13).

Uit een preek gehouden rond 418 over Lc 7,11-15. In dat evangeliefragment wekt Jezus in het stadje Naïn de enige zoon van een weduwe ten leven,. Hij roept een dode gemakkelijker uit het graf dan wij een slaper uit bed.

2. Ook doden kunnen weer leven

Geen enkele christen mag eraan twijfelen dat er nog altijd doden worden opgewekt. Iedereen heeft ogen waarmee hij mensen kan zien opstaan die gestorven zijn, zoals bijvoorbeeld de zoon van de weduwe over wie zojuist is voorgelezen uit het evangelie (Lc 7,12-17). Maar niet iedereen heeft ogen waarmee hij mensen kan zien opstaan die geestelijk dood zijn. Dat zien alleen mensen die zelf al geestelijk zijn opgestaan. Het is een groter wonder iemand weer op te wekken voor het eeuwig leven dan voor een wat langer leven op aarde.
Die moeder, een weduwe, was verheugd over de opwekking van haar zoon. Zo verheugt de moederkerk zich over de mensen die dagelijks geestelijk worden opgewekt. Die jongen was lichamelijk dood, die mensen geestelijk. De zichtbare dood van de jongen werd zichtbaar beklaagd, maar aan de onzichtbare dood van die mensen werd geen aandacht geschonken, ja, die werd zelfs niet opgemerkt. Maar Hij die de doden kende schonk er wel aandacht aan. En de enige die de doden kende was Hij die ze weer levend kon maken. Als de Heer niet was gekomen om de doden op te wekken had de apostel Paulus niet kunnen zeggen: “Ontwaak, slaper, sta op uit de doden, en Christus zal over u stralen.” (Ef 5,14) Zodra je hoort: “Ontwaak, slaper,” denk je dat het gaat om iemand die ligt te slapen. Maar zodra je hoort: “Sta op uit de doden,” begrijp je dat het gaat om iemand die dood is. Mensen die lichamelijk dood zijn worden ook vaak “ontslapenen” genoemd. En inderdaad, voor Hem die kan opwekken slapen alle mensen. Een dode is voor ons dood als hij niet wakker wordt, hoe je hem ook slaat, beetpakt of door elkaar schudt. Maar voor Christus sliep de jongeman tot wie gezegd werd: “Ontwaak,” en direct stond hij op. Geen mens roept iemand zo makkelijk uit zijn bed als Christus iemand uit het graf.

(uit: Sermo 98,1-2)

Uit een preek gehouden rond het jaar 418 ter nagedachtenis van overledenen. Verdriet kan een gebroken hart genezen.

8. Hoopvol treuren

Laten wij bij de viering van een sterfdag troost zoeken bij elkaar, en ook in mijn woorden. Het hart van een mens is in staat om niet te treuren om een overleden dierbare. Toch is het beter dat het hart genezen wordt van zijn verdriet door te treuren, dan dat het onmenselijk wordt door niet te treuren. Maria klemde zich vast aan de Heer en treurde om haar dode broer. Waarom bent u verbaasd dat Maria treurt op het moment dat zelfs de Heer moet huilen? (Joh 11,32-35) (…)
Daarom ook zegt de apostel Paulus: “Broeders en zusters, wij willen u niet in het ongewisse laten over de doden, zodat u niet hoeft te treuren zoals de heidenen, die geen hoop hebben.” (1 Tes 4,13) Hij zegt niet alleen zodat u niet hoeft te treuren, maar: zodat u niet hoeft te treuren zoals de heidenen die geen hoop hebben. Het is onvermijdelijk dat u treurt. Maar als u treurt, laat de hoop u dan troosten. Ja, hoe zou u niet treuren als het lichaam, dat leeft door de ziel, ontzield wordt omdat de ziel het verlaat? Wie kon lopen ligt daar nu, wie kon spreken zwijgt, de gesloten ogen vangen geen licht meer, het oor is doof voor elk geluid. Alle taken van het lichaam zijn in ruste. Er is niemand meer om de voeten te laten lopen, de handen te laten werken, de zintuigen te laten waarnemen. Moeten we niet denken aan een huis dat een onzichtbare bewoner mooi heeft ingericht? Die onzichtbare bewoner is vertrokken, gebleven is wat we met verdriet aanschouwen.
Dat veroorzaakt onze droefheid. Als dit onze droefheid veroorzaakt, laat er dan een troost zijn voor deze droefheid. Welke troost? Paulus zegt: “Wanneer het signaal gegeven wordt, de aartsengel zijn stem verheft en de bazuin van God weerklinkt, zal de Heer zelf uit de hemel neerdalen. Dan zullen eerst de doden die Christus toebehoren opstaan, en daarna zullen wij, die nog in leven zijn, samen met hen op de wolken worden weggevoerd en gaan we in de lucht de Heer tegemoet.” (1 Tes 4,16-17) Ook dat zal toch niet tijdelijk zijn? Nee, maar wat dan wel? “Dan zullen we altijd bij Hem zijn.” (1 Tes 4,17) Laat de smart verdwijnen waar zoveel troost is. Laat de rouw worden verjaagd uit ons hart, laat het geloof ons verdriet verdrijven.
Bij zoveel hoop mag de tempel van God niet bedroefd zijn. Daar woont de goede Trooster, daar woont Hij die belooft en niet bedriegt. Waarom zo lang getreurd om een dode? Omdat de dood bitter is? Ook de Heer is er doorheen gegaan.
Mogen deze paar woorden voldoende voor u zijn, lieve mensen. Meer troost krijgt u van Hem die uw hart niet verlaat. Moge Hij de goedheid hebben om daar te wonen en zo ook de goedheid hebben om ons aan het eind te veranderen.

(uit: Sermo 173,2 en 3)