Bezieling voor onderweg

Gedachten over Pinksteren

Fragmenten uit deze brochure

Onderstaand fragment is afkomstig uit een preek die Augustinus hield in Carthago, ergens tussen de jaren 397 en 410 tijdens een nachtwake vóór het Pinksterfeest.

1. Jonge wijn in nieuwe zakken

Wij vieren vandaag het feest van de komst van de Heilige Geest. Want die kwam op de dag van Pinksteren, die al is aangebroken. Er waren honderdtwintig personen op één plaats bijeen. Onder hen bevonden zich de apostelen, de moeder van de Heer en andere mensen, mannen en vrouwen, die aan het bidden waren en wachtten op de vervulling van Christus’ belofte, de komst van de Heilige Geest (Hnd 2,1 en 1,14-15). De hoop van de wachtenden was geen ijdele hoop, want de belofte van de Belover was geen loze belofte. Zij wachtten, en Hij kwam. En Hij trof reine vaten aan, waarin Hij kon worden opgevangen.
Er verscheen hun iets dat op vuur geleek en dat zich, in tongen verdeeld, op ieder van hen neerzette. En zij begonnen in vreemde talen te spreken, naargelang de Geest hun te vertolken gaf (Hnd 2,3-4). Iedere persoon sprak in alle talen, omdat de toekomstige kerk hiermee in alle talen werd aangekondigd. Elke persoon was het teken van de eenheid: alle talen in één persoon, dat betekent alle volkeren tezamen in eenheid.
Degenen die vol waren, spraken; degenen die leeg waren, wisten niet wat ervan te denken, en wat erger is, ze wisten niet wat ervan te denken en maakten er beledigende opmerkingen over (Hnd 2,12-13). Ze zeiden: “Ze zijn dronken en ze zijn zich aan zoete wijn te buiten gegaan.” Wat een domme en lasterlijke beledigingen! Een dronkeman leert geen vreemde taal, nee, hij raakt de zijne kwijt. Maar toch sprak de waarheid bij monde van die onwetende mensen met hun beledigingen. Ja, die honderdtwintig personen waren zich echt te buiten gegaan aan jonge wijn, want zij waren nieuwe wijn-zakken geworden (Mt 9,17, Mc 2,22 en Lc 6,5,37-38). Maar de oude wisten niet wat te denken van de nieuwe, en door die beledigingen werden de oude niet vernieuwd en ook niet gevuld. Maar uiteindelijk ebde hun beledigende toon weg. Ze gingen luisteren naar de apostelen die aan het woord waren, een verklaring aflegden en door de genade van Christus predikten. (Hnd 2,15) Door te luisteren werden ze geraakt, daardoor veranderd, en door die verandering begonnen ze te geloven. En door dat geloof verdienden ze dat te ontvangen, waarvan ze niet wisten wat ze er van moesten denken bij anderen.

(uit: Sermo 266,2)

Uit een preek, gehouden tijdens het Pinksterfeest op 2 juni 412; ondanks de nauwkeurige datering is niet bekend waar de preek gehouden is.

2. Talenwonder

Wordt de Heilige Geest nu dan niet meer gegeven, broeders en zusters? Wie die vraag in zich laat opkomen, is het niet waard de Geest te ontvangen. Ja natuurlijk, nu wordt Hij ook gegeven. Waarom spreekt dan niemand in de talen van alle volkeren, zoals de mensen die toen door de Heilige Geest werden vervuld? Nou? Omdat is vervuld, waar dat naar verwees. Wat is dat dan? Toen wij Hemelvaartsdag vierden, hebben wij u voorgehouden – probeer u dat te herinneren – dat de Heer Jezus Christus zijn kerk aan zijn leerlingen heeft toevertrouwd en naar de hemel is opgestegen. Zijn leerlingen vroegen: “Wanneer zal het einde van de tijd zijn?” (Hnd 1,6) En toen zei Christus: “Het komt u niet toe dag en uur te kennen, die de Vader in zijn macht heeft vastgesteld.” (Hnd 1,7) Daarbij kwam nog de belofte die Hij vandaag heeft vervuld: “U zult kracht ontvangen van de Heilige Geest die over u komt, om mijn getuigen te zijn in Jeruzalem, in geheel Judea en Samaria en tot het uiteinde der aarde.” (Hnd 1,8)
Toen was de kerk in één huis en ze ontving de Heilige Geest. Zij bestond slechts uit een paar mensen maar tegelijk in de talen van de hele wereld. Kijk eens waar dat op vooruitliep. Ja, want wat die kleine kerk in de talen van alle volkeren sprak, wat is dat anders dan wat de grote kerk van nu van het oosten tot het westen in de talen van alle volkeren spreekt? Wat toen werd beloofd, wordt nu vervuld. Wij hebben het gehoord, wij kunnen het zien.

(uit: Sermo 267,3)

Uit dezelfde preek

3. De Geest in de kerk: bezieling van het lichaam

Niemand mag dus zeggen: “Ik heb de Heilige Geest ontvangen. Waarom spreek ik nu niet in de talen van alle volkeren?” Als u de Heilige Geest wilt hebben, geliefde broeders en zusters, denk dan eens hierover na. Onze geest, waardoor ieder mens leeft, wordt ziel genoemd. Onze geest, waardoor iedere afzonderlijke mens leeft, wordt ziel genoemd. Kijk nu eens wat de ziel in het lichaam doet. Ze brengt de ledematen tot leven, allemaal. Met de ogen ziet ze, met de oren hoort ze, met de neus ruikt ze, met de tong spreekt ze, met de handen werkt ze en met de voeten loopt ze. De ziel zit in alle ledematen, daarom leven ze. Ze geeft leven aan alle ledematen als geheel, en kent functies toe aan de afzonderlijke. De ogen horen niet, de oren zien niet, de tong ziet niet, en ook spreken de oren en de ogen niet. Maar leven doen ze wel. De oren leven en de tong ook. Hun functies zijn verschillend, maar het leven hebben ze allemaal.
Zo is het ook met de kerk van God. In sommige heiligen doet ze wonderen, in andere heiligen verkondigt zij de waarheid; in sommige heiligen waakt zij over de maagdelijkheid, in andere heiligen waakt zij over de kuisheid binnen het huwelijk; in sommigen doet ze zus, in anderen zo. Ieder voor zich doen zij hun eigen werk, maar leven doen ze op dezelfde manier. Welnu, wat de ziel is voor het menselijk lichaam, is de Heilige Geest voor het lichaam van Christus, de kerk. De Heilige Geest doet in de hele kerk, wat de ziel in alle ledematen van één lichaam doet.
Maar kijk waar u voor moet oppassen, waar u op moet letten, waar u bang voor moet zijn. Het komt voor dat er in het menselijk lichaam, of liever ván het lichaam een lichaamsdeel wordt afgehakt: een hand, een vinger of een voet. Als het is afgehakt, komt de ziel er toch zeker niet achteraan? Toen het lichaamsdeel nog aan het lichaam zat, leefde het. Nu het is afgehakt, verliest het lichaamsdeel het leven. Zo behoort ook een christen tot de algemene en katholieke kerk, zolang hij in het lichaam leeft. Zodra hij afgehakt is, wordt hij een ketter en komt de Geest niet achter het afgezette lichaamsdeel aan. Als u dus wilt leven van de Heilige Geest, bewaar dan de liefde, bemin de waarheid en verlang naar de eenheid. Dan bereikt u de eeuwigheid.

(uit: Sermo 267,4)