Bouwen aan gods huis

Gedachten over kerk-zijn, geloofsgemeenschap en pastoraat.

Fragmenten uit deze brochure

Uit een andere preek, eveneens gehouden bij een kerkwijding. Over de plaats is niets bekend, maar wel over de datering: tussen 391 en 395 toen Augustinus wel priester maar nog geen bisschop was. Hij wijst op de tijdelijkheid van kerkgebouwen en dus ook van het kerk-zijn op aarde: dat houdt een waarschuwing in maar ook een belofte: onze vergankelijkheid mag vooruitwijzen naar het onvergankelijke.

2. Wees zelf een huis van God

Dit hier is een tijdelijk gebouw en zal niet eeuwig blijven bestaan. Net zoals onze lichamen, waarvoor dit gebouw door werken van barmhartigheid moest worden opgetrokken. Die lichamen zijn natuurlijk ook niet eeuwig, maar tijdelijk en sterfelijk. We krijgen van God een woning: een eeuwige, niet door mensenhanden gemaakte woning in de hemel (2 Kor 6,5; 11,27 en 2 Tim 2,21). Daar zullen ook onze lichamen zijn, voor eeuwig in de hemel, veranderd door de verrijzenis. En ook al kijken we nu nog in een wazige spiegel en staan we straks oog in oog (1 Kor 13,12), toch woont God in ons door het geloof. En omdat Hij daar woont worden wij tot een woonplaats voor Hem door onze goede werken. Die werken zijn niet eeuwig maar voeren wel naar het eeuwige leven. Ook dit werk hier hoort daarbij, waarmee deze kerk is gebouwd. Want daarginds zullen we dit soort bouwwerken niet optrekken. Daar wordt niets gebouwd wat zal instorten, daar gaat niemand naar binnen om te sterven.
Toch moeten uw tijdelijke werken nu goed zijn, zodat uw loon eeuwig is. Voor dit moment, ik herhaal, moet u in geestelijke liefde een huis van geloof en hoop bouwen met al uw goede werken. Die werken zijn daar straks niet, omdat er geen enkele behoefte aan is. Neem de vermaningen van apostelen en profeten en leg die als fundament in uw hart. Neem uw nederigheid en leg die als een gladde vloer daaroverheen, zodat u zich niet stoot. Neem gebeden en woorden en zet die als stevige muren voor heilzaam onderricht in uw hart. Neem goddelijke uitspraken en hang die als lampen op om mensen bij te lichten. Ondersteun de zwakken, wees voor hen als zuilen. Beschut de armen, wees voor hen als een dak. Dan zal de Heer onze God onze tijdelijke, goede dingen terugbetalen met eeuwige, en u voor eeuwig bezitten als volmaakte en ingewijde mensen.

(uit: Sermo 337,5)

Onderstaand fragment is uit een preek die Augustinus hield in Carthago in mei of juni 404. In de preek geeft hij een toelichting op 1 Kor 12,31-13,13. Onderlinge liefde en dus ook het samen kerk-zijn stelt mensen in staat om zonder afgunst van elkaars gaven en talenten te genieten. Wij hebben elkaar nodig. God heeft ons nodig om zijn liefde voor ons te laten zien.

4. Geniet van elkaars gaven

De linkerhand van je lichaam heeft een ring, de rechter niet. Heeft die dan helemaal geen sieraad? Bekijk uw handen apart: de ene heeft een ring, de andere niet. Bekijk nu het grote geheel van uw lichaam: beide handen zitten daaraan vast. Realiseer u dat de hand zonder sieraad er toch een heeft, via de andere hand. Je ogen zien waarheen je moet lopen, je voeten lopen in de richting die de ogen aangeven. Je voeten kunnen niet zien, je ogen niet lopen. Je voet geeft het antwoord: “Ik kan ook kijken, niet uit mezelf maar via de ogen. Het is niet zo dat die alleen maar kijken voor zichzelf en niet voor mij.” En de ogen zeggen: “Wij lopen ook, niet uit onszelf maar via de voeten. Want het is niet zo dat de voeten alleen zichzelf dragen en ons niet.”
De afzonderlijke ledematen kennen dus hun eigen, specifieke taak en doen wat het verstand hun opdraagt. Toch zitten ze allemaal samen in één lichaam en die eenheid houden ze vast. Ze claimen niet wat andere ledematen hebben, als ze dat zelf niet hebben. Evenmin denken ze dat ze daar niets mee te maken hebben, want ze hebben het samen, in één lichaam.
Tenslotte, broeders en zusters, stel dat een van onze ledematen een ongeluk overkomt: welke ledematen zullen dan weigeren te helpen? Wat lijkt het laagste punt van een mens? De voet. En het laagste punt van die voet? De voetzool. En van die voetzool? De huid, waardoor je in contact komt met de aarde. Toch wordt dat laagste punt vastgehouden door het grote geheel van het lichaam: als je ermee in een doorn trapt schieten alle ledematen te hulp om die doorn eruit te trekken. Onmiddellijk buigen de knieën, de rug kromt zich, je gaat zitten om de doorn eruit te trekken. Alleen al het zitten is iets van het hele lichaam. Slechts een heel klein plekje is in nood! Dat plekje is net zo groot als het puntje van de doorn. En toch wordt de nood van dat verre, kleine plekje niet genegeerd door het hele lichaam. De andere ledematen hebben zelf geen pijn, maar ze voelen allemaal de pijn van dat ene plekje.

(uit: Sermo 162A,5)

Onderstaand verhaal is afkomstig uit een preek die Augustinus hield na 396. Over de plaats is niets bekend. In de preek staat Augustinus stil bij Tit 1,9 om sterk te staan in de zuivere leer en tegensprekers van repliek te dienen. Hij ziet er als een berg tegenop. Gelukkig kan hij zich ook vaak op- trekken aan mooie alledaagse voorbeelden uit de praktijk, die de geloofs- gemeenschap kunnen inspireren.

6. Een geschenk van God

Ik ga u iets vertellen, lieve mensen, dit soort verhalen zijn geschenken van God. Er bevinden zich onder Gods volk mensen die niet tevergeefs luisteren naar Gods woord. Ik ga u vertellen wat een straatarme man heeft gedaan, destijds toen ik een aanstelling had in Milaan. Hij was zo arm dat hij portier was bij een grammaticaleraar. Maar hij was door en door christen, ook al was die grammaticaleraar een heiden. De man bij de voordeur was beter dan de man op de leerstoel! Hij vond een beurs met, als ik mij goed herinner, ongeveer tweehonderd muntstukken. Indachtig de wet hing hij ergens buiten een briefje op. Want hij wist dat hij het terug moest geven, maar hij wist niet aan wie. Op dat briefje stond: “Geld gevonden!
De eigenaar kan zich daar en daar melden. Vraag naar die en die.” De eigenaar, die in paniek alles had afgezocht, zag dat briefje hangen, las het en ging naar die man toe. Die was bang dat de ander uit was op het bezit van iemand anders en vroeg naar bepaalde details: het materiaal van de beurs, de sluiting, en ook het aantal geldstukken. En toen de antwoorden allemaal correct bleken, gaf hij de vondst terug.
De eigenaar kon zijn vreugde niet op, hij wilde iets terugdoen en bood hem twintig geldstukken aan, een tiende van het hele bedrag. Maar de ander wilde die niet aannemen. Hij bood er tien, de ander weigerde. Hij vroeg of hij er dan tenminste vijf wilde aannemen. Nee dus. Ontstemd gooide de man de beurs op de grond. “Ik heb niets verloren,” zei hij, “als jij niets van mij wilt aannemen, dan heb ik niets verloren.” Wat een discussie, broeders en zusters, wat een discussie! Wat een strijd, wat een conflict! De wereld als toneel, God als toeschouwer. Uiteindelijk liet hij zich overreden en nam het aanbod aan. Meteen deelde hij alles uit onder de armen, niet één muntstuk hield hij achter in zijn huis.

(uit: Sermo 178,8)